Rechte rug

Ik ben eigenlijk nooit zo goed geweest in het ontvangen van feedback of in het krijgen van een reactie die niet louter positief is. De mogelijkheid dat de ander het niet met me eens zou zijn, ging ik meestal uit de weg. Om die reden bleef ik in mijn werk vooral op bekend terrein. Deed ik dat waarvan ik wist dat ik er goed in was. Solliciteerde ik op banen waarvan ik wist dat ze me zouden willen hebben. Deed ik mijn werk zo goed mogelijk. Als ik eigenlijk een onderdeel van mijn werk niet wilde doen, dan begon het zoeken. Ik besloot dat ik dan weg zou moeten gaan.

Maar zodra ik een voet buiten mijn bekende terrein probeer te zetten doemt daar de buitenwereld op. Als ik mogelijk iets anders zou willen. Als ik mogelijk iets nieuws zou willen proberen. Een buitenwereld die uit voorzorg naar mij communiceert dat ik hier beter niet kan zijn. Ik voel die wereld fysiek op mijn huid, als prikkels, als kou en kilte. Die prikkels communiceren naar mij: blijf weg, blijf daar en bevries. Ik weet niet wat ik kan doen om van dat allesoverheersende akelige gevoel af te komen, behalve door om te keren. Terug naar waar het veilig is. Waar ik weer enigszins ontspannen kan.

De grenzen van mijn veilige wereld zijn zo duidelijk voelbaar. En zij doemen telkens op bij het vormgeven van mijn werkende leven. Bij het gaan doen wat ik wil. Bij voluit mijn vorm gaan leven. Bij geven wat ik te geven heb. Ik kan daar niet even aan voorbij, hoewel ik regelmatig denk van wel. Ik heb daar levenslang. 

Voor de opleiding tot leraar Zijnsoriëntatie, die ik dit najaar begon, lezen we over de niet-herkende Boeddha. Het is precies jouw kramp, jouw verstijven, jouw afweer. Dat is de niet-herkende Boeddha. Het perspectief dat je aanneemt is bepalend voor wat je ervaart. Vanuit het perspectief van de kramp wil je van de kramp af. Dan wil je dat het leven gemakkelijk is. Dat altijd alles over rozen gaat. Je wil versmolten blijven met wie en wat goed voelt.  

Maar wat als de kramp, jouw verstijven, jouw afweer eigenlijk jouw zwanenvleugels zijn? De prachtige vleugels die je invouwt omdat je denkt dat ze niet passen in de wereld zoals jij die meent te kennen. Wat als precies waar ik van af wil, waar ik niet wil zijn, mijn straling is. Als precies dat wat bevriest, dat wat verstijft, mijn lichamelijke presentie is. Mijn seksuele presentie. Mijn warmte, mijn lust en levenslust. Ongeschonden en helemaal compleet.

Dan herinner ik mij om mijn rug te rechten. Dan adem ik dieper in en uit. Dan herinner ik mijn inherente waardigheid. Die nooit verloren ging. Die nooit gespiegeld hoefde te worden. Omdat die onafhankelijk is van spiegeling. Mijn doorsnijdende waardigheid. Die alle onwaardigheid, alle kleinheid doet smelten. 

Dan blijf ik precies daar. Roerloos en present. Weten dat ik kan blijven met rechte rug als ik in de kramp raak, daar waar het moeilijk is, waar het niet makkelijk gaat, waar ik geen positieve reactie krijg, dat is grote vreugde. Ik kan blijven bij wat zich aandient. Bij hoe het leven zich aandient. Ik hoef niet weg te gaan, niet van koers te veranderen. Niet om te keren. Ik land op eigen grond. Dan voel ik hoe afhankelijk ik mij altijd maak. Hoe versmolten ik ben met een imaginaire wereld die mij koste wat het kost veiligheid moet geven. En dat ik dan in dikke mist beweeg, ik dan meedobber met een onduidelijke stroom. Omdat ik daar weiger om zelf vorm aan te nemen.

Ik besluit me op te richten en mijn helderheid voorop te gaan zetten. Om vanuit helderheid te kijken wat ik te doen heb. Hoe het gaat, wat ik anders kan doen. Wat ik op kan pakken. Wat ik aan kan pakken. Wat ik eigenlijk wel zou willen proberen. Wat ik zou willen aangaan. Op een tempo dat bij me past. 

Met een rechte rug, is die helderheid heel dichtbij, heel eenvoudig, het is wie ik ben. Ik kan me daar achter zetten dat ik die helderheid leven wil. En dat is mogelijk een nog veel grotere vreugde. Dat geeft direct kleur aan mijn leven. De wereld breekt open in kleur en toont zich als speelse oningevulde vreugde. Het is alsof er direct ook een mistige onduidelijkheid in mij oplost. En ik weet dat ik vorm kan geven aan mijn leven. En dat ik dat al doe. 

Deze column verscheen in ZIJN 70, 2025